Boarnen

Paul Borghaerts heeft een transcriptie en moderne 'vertaling' van de oudst bekende verordeningen van de 'gemeente'  Wommels gemaakt. Het stuk is overgeleverd in het grietenijarchief van Hennaarderadeel en bevat enkele verordeningen van de edelen, eigenerfden en overige 'gemeente' van het dorp Wommels. Van deze lokale bestuursvorm is vaak niet veel schriftelijke neerslag bewaard gebleven.  Het stuk werd kennelijk van zodanig belang geacht, dat het ook in de registers van de grietenij werd bijgeschreven. Voor transcriptie en vertaling zie hier.

Verordening van de 'gemeente' Wommels uit 1624


Skiednis fan de sûnenssoarch


Chirurgijns en dokters in Littenseradiel (overzicht)

Artsen te Boazum, 1893-1966

Geneesheren te Easterein, 1824-1919

Artsen te Weidum, 1864-1956

De vernietiging van een doerebouten bed te Boazum


Genealogy


Miede, Miedum, Miedema

Het Ritske Jeltes en Jelte Ritskes-volk, kuipers te Rien en Welsrijp (ca. 1575-1675); van Jelte tot Julius (1918/1946)

Jentje Jobs-volk, Domna's en Grota's 1600-1800

In Runia om utens

De Wijnia's van Spannum

De Wijnia's van Wommels


Wetter, iis, fiskerij


Tichtsetfiskerij, fan Rien oant Ayamaru (1972/1976)

Om de Krommesyl hinne

Fiskrjochten yn Hinnaarderadiel, ca. 1550- ca. 1850 (I)

Fiskrjochten yn Hinnaarderadiel, ca. 1550 - ca. 1850 (II)


Kuier troch âld Wommels (mei Atze van der Bos)

Op dit plak sille de kommende tiid alle ôfleveringen op 'e nij publisearre wurde fan dizze seary, dy't yn 1971-1972 yn Op 'e Skille ferskynde.

Kuier 1

Kuier 2-3

Kuier 4

Kuier 5-6

Kuier 7 mist

Kuier 8 

Kuier 9


Ferskaat


IJsclub Winterwille (Wommels), 1953-1966

Schaatstocht eindigt in afschuwelijk drama: vier jonge mensen overleden

De Noorderhaven fan Wommels om 1962 hinne

Lieflijke Biedermeier klanken uit Wiuwert 

Baarderadeel en de muizenplaag van 1847

Burgemeester Hennaarderadeel achter tralies

Schaatsen Wilhelmina uit Easterlittens

De boeken fan boer Douwe Johannes Rispens fan Itens en Kûbaard (1654)

De wrâld is rûn: fan Itens oant Teminabuan

De lange reis van een kledingknaapje

En daarna was het donker... 70 jaar na het vliegtuigongeluk bij Klaeiterp



 Lieflijke Biedermeier klanken uit Wiuwert: vader en zoon Radersma, orgelbouwers te Wiuwert 1813-1851

door Jeanine Otten (9 januari 2011)

In de eerste helft van de negentiende eeuw woonden in Wiuwert twee orgelbouwers: Jan Reinders Radersma en zijn zoon Pieter Jans Radersma. Zij waren werkzaam in Friesland. Ook in de huidige gemeente Littenseradiel, met name in Mantgum en Wommels, zijn hun orgels te bewonderen. Kenners karakteriseren de kenmerkende klank van de Radersma-orgels als passend in de Biedermeier stroming: lieflijk en elegant. Aanhakend bij de huidige revival van interesse voor Neoclassisme en Biedermeier (bijvoorbeeld de tentoonstelling Neoclassicisme en Biedermeier uit de Collecties van de Vorst van Liechtenstein in Museum de Fundatie te Zwolle van 19 december 2010 t/m 8 mei 2011) is het aardig om iets meer over deze orgelbouwers uit Wiuwert aan de weet te komen.

P.J. Radersmaorgel (1847) in de Jacobikerk te Wommels, foto F. Duursma, Dokkum

Jan Reinders Radersma
Jan Reinders Radersma werd op 4 juni 1772 geboren in Wiuwert als zoon van Reinder Franses (overleden Wiuwert 1 januari 1807, 70 jaar oud) en Akke Jans. Als 16-jarige jongen zou Jan Reinders in 1788 door orgelbouwer Rudolph Knol bij de orgelbouw in de kerk in Wiuwert zijn betrokken. Op 3 oktober 1802 trouwde hij in Britswert met Sibbeltje Pieters Stellingwerf (geboren Wiuwert). Van beroep was Jan Reinders landbouwer en orgelmaker. In 1803 woonde Jan Reinders Radersma in Easterlittens. Hier werd op 4 september 1803 Pieter, zijn eerste kind, geboren. Jan Reinders en Sibbeltje Pieters kregen na Pieter nog vier kinderen. Dezen werden allen in Wiuwert geboren: Reinder (1806), Aukje (1808), Lolke (1811) en Klaaske (1814). Jan Reinders Radersma overleed op 4 oktober 1816 te Wiuwert, slechts 44 jaar oud. Bij de inschrijving in het Overlijdensregister van de Gemeente Baarderadeel in 1816 werd “m[eeste]r orgelmaker” als beroep van Jan Reinders Radersma genoteerd.

Pieter Jans Radersma
Pieter Jans Radersma was, net als zijn vader, van beroep orgelmaker. Hij kan het vak echter niet van zijn vader hebben geleerd: hij was nog maar 10 jaar oud, toen zijn vader in 1816 overleed. Pieter Jans zelf overleed, ongehuwd, op 47-jarige leeftijd te Wiuwert op 31 maart 1851. Zijn drie jaar jongere broer Reinder Jans Radersma was timmerman en woonde eveneens te Wiuwert. Het zou kunnen dat deze Reinder Jans zijn broer de orgelbouwer behulpzaam is geweest met het vervaardigen van de verschillende orgels.

Orgels door Jan Reinders Radersma, mr orgelmaker
Er zijn niet veel orgels van vader Jan Reinders Radersma bekend. In de Noorderkerk in Drachten vergrootte hij in 1813 een zeventiende-eeuws orgel. In Mantgum bouwde hij een orgel dat op 2 juni 1813 werd ingewijd. Voor de hervormde kerk in Spannum bouwde hij in 1816 een orgel dat, na zijn overlijden in dat zelfde jaar, werd voltooid door Lambertus van Dam in 1819. Dit orgel verhuisde in 1913 naar de hervormde kerk in Mitselwier (Metslawier). Van het orgel in de hervormde kerk in Easterlittens is bekend dat Jan Reinders Radersma tussen 1813 en 1816 onderhoudswerkzaamheden verrichtte.

Orgels door Pieter Jans Radersma, mr orgelmaker
Van zoon Pieter Jans Radersma zijn meer orgels bekend: nog bestaande orgels bevinden zich in Skearnegoutum, Wier en Wommels. Tussen 1826 en 1829 onderhield Pieter Jans Radersma, net als zijn vader, het orgel in de hervormde kerk in Easterlittens en gaf hij het stembeurten. Het orgel in de Sint Martinuskerk in Wirdum werd door hem in 1840 gewijzigd. Voor de hervormde kerk in Skearnegoutum bouwde hij geheel alleen een nieuw orgel, dat op 14 november 1841 plechtig werd ingewijd. In de hervormde kerk in Wier bouwde hij een eenklaviersorgel, dat op 16 oktober 1842 plechtig werd ingewijd. Dit orgel heeft acht registers, een aanhangend pedaal en pianotred. Bij het frontontwerp volgde Pieter Jans Radersma het door  Rudolph Knol in 1788 gebouwde orgel te Wiuwert. Voor de hervormde Jacobikerk in Wommels bouwde Pieter Jans een nieuw orgel dat op 15 januari 1847 werd ingewijd. Voor dit orgel gebruikte hij voor een deel zeventiende-eeuws pijpwerk uit een vorig orgel. In 1848 kreeg hij voor zijn werk van de kerkvoogden van Wommels een zilveren tabakspot. Tussen 1847 en 1849 onderhield Pieter Jans het orgel van de hervormde kerk in Nijland. In 1850 voerde hij een omvangrijke reparatie uit aan het orgel van de gereformeerde kerk in Warffum. Voor het kabinetsorgel, afkomstig  van mr J. baron van Heemstra, dat in 1849 in de hervormde kerk in Hantum werd geplaatst, maakte Pieter Jans Radersma voor 246,03 gulden een nieuw front “met bijlevering van snijwerk, beelden en muziekinstrumenten en beeldwerk”. Dit orgel werd in 1876-1877 vervangen door een nieuw orgel, gebouwd door Willem Hardoff.

P.J. Radersmaorgel (1842) in de hervormde kerk in Wier 

Zilveren lepels en een tabakspot
Iets over het materieel bezit van vader en zoon Radersma blijkt uit vondsten van een zekere J.D. vd Meer uit Drachten in 1983. In dat jaar was deze bezig met een onderzoek naar de twee orgelbouwers Radersma. In de Leeuwarder Courant van 11 maart 1983 stelde hij naar aanleiding van vier vondsten de volgende vragen:
1. De weduwe van Jan Reinders Radersma had in 1824 drie zilveren lepels met de volgende inscripties: a. Reinder Franses ATB; b. Jan Reinders 1775; c. PD SS (de informatie komt kennelijk uit een boedelbeschrijving). De lepels waren niet in het Fries Museum en vd Meer vroeg zich af of iemand wist waar deze lepels bewaard werden.
2. Vd Meer wist ook te vertellen dat Pieter Jans Radersma na zijn dood in 1851 een zilveren tabakspot had nagelaten. Deze was hem in 1848 door de kerkvoogden van Wommels geschonken, geleverd door H. van Assen. Vd Meer had uitgevonden dat deze tabakspot niet in het Fries Museum was en wilde graag weten of deze nog ergens bewaard was.
3. Rond 1865 bezat Lolke Jans Radersma uit Rauwerd, een zoon van Jan Reinders Radersma, een huisorgel dat gebouwd was door Jan Reinders Radersma. Vd Meer wilde graag op het spoor komen van dit orgel.
4. In de Vrije Fries 1853 staat dat in hun huis een ruitje zit met een opschrift, dat in dat huis in 1779 de laatste uit het geslacht van Anna Maria van Schurman is geweest. Vd Meer vroeg zich af of het ruitje nog bestond of dat het nog ergens werd bewaard.

Of J.D. vd Meer ooit antwoord op zijn vragen heeft gekregen en wat er van zijn onderzoek naar de orgelbouwers Radersma is geworden, is helaas niet bekend.

Literatuur: Frans Talstra, Langs Nederlandse orgels (Groningen, Friesland, Drenthe), Baarn 1979.

laatste wijziging: 2011/01/15 12:00uur



 Baarderadeel en de muizenplaag van 1847

door Jeanine Otten (8 januari 2011)

Het vee in de Grietenij Baarderadeel stond in oktober 1847 al vroeg op stal: 1971 stuks vee, dat was meer dan de helft van het aanwezige rundvee. Dit blijkt uit een staatje van het Grietenijbestuur van Baarderadeel van 31 oktober 1847. In de top drie van de dorpen met het meeste vee op stal stond Boazum bovenaan met 441 stuks, gevolgd door Wiuwert met 234 stuks, en Easterwierrum 173. De oorzaak was een verschrikkelijke muizenplaag. De boeren stonden daardoor voor de keus hun koeien zeer vroeg op stal te zetten of, bij gebrek aan voedsel, te verkopen. Vanwege de grote hoeveelheid muizen was Friesland in 1847 een lopend buffet voor ooievaars.


Bericht in de Leeuwarder Courant op 9 november 1847.

Dagboekaantekeningen
Dagboekaantekeningen van boeren als Gerben Minnes IJsselstein (1808-1890) uit Dearsum[1] en Doeke Wiegers Hellema (1766-1856) uit Wirdum[2] geven een beeld van de situatie. Het begon al in 1846. Vanaf september tot en met december en de hele winter door waren er veel veldmuizen die al het hooi en gras opaten. Om de muizenplaag te bestrijden, zetten de boeren de weilanden onder water om zo de veldmuizen te verdrinken. Boeren gaven  voor iedere dode muis  ½ cent en voor 100 muizen 6 à 7 stuivers. De landarbeiders verdienden veel geld met ‘drinzen’ (verdrinken door water in de muizengangen te gieten). Zo werden er wel 2000 tot 3000 muizen per dag gevangen.

Honderden ooievaars
De weilanden werden met behulp van watermolens onder water gezet. Op de verdrinkende muizen kwamen honderden ooievaars af. Op sommige weilanden liepen wel 500 à 600 ooievaars. Bovenin de stoppels die uit het land staken en boven het water uitkwamen, zaten wel 20 à 25 muizen.

Twintig ooievaars streken in augustus 2008 neer bij de oude vliegtuighangar in Meerhoven (regio Eindhoven)

Aardappeloproer
De muizenplaag heerste overigens niet alleen in Friesland: ook in Overijssel in de omgeving van Staphorst en Rouveen verbaasde men zich over het aantal muizen dat de rogge-, haver- en boekweitoogst in gevaar bracht. Mede door de lange winter van 1846-1847 liepen de graanprijzen hoog op. Daarnaast heerste er in 1847 een aardappelziekte, waardoor er een gebrek aan aardappels was. Mensen met weinig middelen kwamen daardoor in moeilijkheden, de arme bevolking leed honger en de voedselprijzen waren zeer hoog. Een en ander leidde in 1847 tot het zogenoemde ‘aardappeloproer’ in Harlingen, Leeuwarden, Franeker en andere steden.

Noten:
[1] Philippus H. Breuker schreef in 1975 in het dorpskrantje van Boazum over Gerben Minnes IJsselstein uit Dearsum en zijn dagboekfragment over de muizenplaag van 1847, zie het citaat in de Leeuwarder Courant op 14 april 1975.
[2] H. Algra, Kroniek van een Friese boer, de aantekeningen (1821-1856) van Doeke Wijgers Hellema te Wirdum (Fryske Akademy nr 542), Franeker 1978, p. 387.

Laatste wijziging 2011/01/15 12:00uur 



  Artsen te Boazum tussen 1893 en 1966 

door Jeanine Otten (2 januari 2011)

In Boazum woonde en werkte tussen 1893 en 1966 een aantal bijzondere artsen. Van enkelen zijn nog de grafstenen op het kerkhof van Boazum te vinden, en naar een van hen werd zelfs een straat in Boazum genoemd. Reden genoeg om deze, in hun tijd zo geliefde geneesheren, aan de vergetelheid te ontrukken. De berichten over de heren doktoren zijn grotendeels in de Leeuwarder Courant gevonden.

Martinikerk te Boazum, met de grafzerken rondom.


Auke Pollius Ferwerda (geb Heeg 17 augustus 1855, overl Groningen 7 mei 1905), geneeskundige te Boazum mei 1893-1905

Auke Pollius Ferwerda, zoon van Hendrikus Pollius Ferwerda, arts te Heeg, en Tjietske Aukes Douma, werd geboren te Heeg op 17 augustus 1855, als zevende in een gezin van acht kinderen. Hij volgde de voetstappen van zijn vader en liet zich opleiden tot medicinae doctor. Op 27 november 1884 trouwde hij in de Gemeente Baarderadeel met Maartje Willems Driessen, geb Wieringen, 31 jaar oud, dochter van Willem Johannes Driessen, arts te Boazum (overl 7 febr 1895 Westermeer bij Joure) en Antje Koorn (overl Bozum 1 januari 1892). 

Schoonvader dr Willem Johannes Driessen was geruime tijd arts te Boazum en omliggende dorpen, daarvoor was hij arts op Wieringen. Op 1 april 1891 werd in Boazum op grootse wijze zijn 50-jarig jubileum als arts gevierd. In 1893 gaf hij het artsenstokje over aan zijn schoonzoon Auke Pollius Ferwerda.

In 1884 was Auke Pollius Ferwerda nog arts te Heeg. Waarschijnlijk had hij daar de praktijk van zijn vader overgenomen. Begin februari 1891 woonde het echtpaar Ferwerda-Driessen te Warmenhuizen bij Alkmaar. Mevrouw Ferwerda wilde daar graag een dienstmeid, maar die moest perse een Friezin zijn, van Protestante godsdienst en bij voorkeur gekleed in de Friese dracht met floddermuts met oorijzer. Dit blijkt uit een oproep in de Leeuwarder Courant op 2 februari 1891: “Mevrouw Ferwerda-Driessen te Warmenhuizen bij Alkmaar, Prov N-Holland, vraagt tegen 12 Mei e.k. eene flinke Friesche MEID, boven de 20 jaren, P.G. en bij voorkeur met oorijzer. Brieven franco vóór 15 Februari ”.

Auke Pollius Ferwerda vestigde zich in mei 1893 als arts in Boazum. Hij nam daar de praktijk van zijn schoonvader Willem Johannes Driessen over, die op 7 februari 1895 te Westermeer bij Joure overleed. Op 9 mei 1902 hield de 600 leden tellende ‘Vereniging tot bevordering der ziekenverpleging’ in de gemeente Baarderadeel haar eerste algemene vergadering onder leiding van Auke Pollius Ferwerda. Hij werd tot voorzitter gekozen. In 1903 werd hij in het bestuur van de Friese Vereniging het Groene Kruis gekozen.

In 1905 was Auke Pollius Ferwerda door ziekte afwezig en liet hij zijn praktijk in Boazum tijdelijk waarnemen door de artsen dr J.H. Regenbogen, in Easterwierrum door dr Idzerda, in Dearsum door dr Van Dam, in Skearnegoutum door dr Beekhuis, te Wiuwert, Britswert en Itens door dr De Vries (LC 18 april 1905). De ziekte was kennelijk fataal, want Auke Pollius Ferwerda overleed in de kracht van zijn jaren, 49 jaar oud, in Groningen op 7 mei 1905 (LC 10-05-1905). Hij werd op 10 mei 1905 begraven op het kerkhof van Boazum (LC 13-05-1905). Aan het graf werden woorden van achting en waardering gesproken door dr Niemeier van Sneek, ds F.C. Fleischer, doopsgezind predikant te Makkum, en door de arts dr Petrus de Vries Jz te Easterein. Op 22 juli 1905 liet zijn weduwe hun huis met aanbehoren te Boazum veilen. Het huis werd  beschreven als een zeer geriefelijk ingerichte, goed onderhouden herenhuizinge met wagenhuis en stal, waarboven hooizolder, en tuin, voor-, achter- en zij-erf aan de publieke rijweg en de Dorpssteeg in de buren te Boazum, ter kadastrale grootte van 985 m2. Kennelijk lukte het niet het huis te verkopen: op 25 januari 1906 werd het huis opnieuw ter veiling gebracht (LC 16-01-1906). 

Dr Johannes Henrikus Regenbogen (1863-1933), arts te Boazum 1889-1924
Johannes Henrikus Regenbogen werd geboren te Sneek op 10 mei 1863 als zoon van koopman Jelmer Regenbogen en Aaltje Fennema. Hij overleed in Leeuwarden op 13 november 1933. Hij studeerde te Utrecht geneeskunde. Van 1889 tot 1924 was hij te Boazum genees-, heel-, en verloskundige.(1) Hij was een geliefd arts en men kwam hem van heinde en verre raadplegen. In 1924 vestigde hij zich als consultatief arts te Leeuwarden.

Wetenschappelijk onderzoek
Hij beoefende naast zijn praktijk de wetenschap en deed onderzoekingen naar nieuwe theorieën over ionen in weefsels en weefselvochten. Zijn bijdragen in wetenschappelijke tijdschriften in binnen- en buitenland trokken de aandacht, zoals:
Le rôle biologique de la catalase dans le métabolisme d'énergie / Par J. H. Regenbogen, médecin à Leeuwarden (Hollande). pp 139. Haarlem: de Erven F. Bohn N. V.; Paris: Gaston Doin & Cie, 1932.

Friese taal
Ook de Friese taal had zijn belangstelling.  J.H. Regenbogen was actief lid van ’t Frysk Selskip en schreef bijdragen in de tijdschriften en jaarboekjes van It Selskip for Fryske Tael- en Skriftenkennisse, onder meer ‘It Klúnbier’. In ‘Lokwensken fen Fryske skriuwers en skriuwsters oan Waling Dijkstra; op syn 80e jierdei’ staat zijn stuk ‘Hjeljoun op ‘e helling’.
J.H. Regenbogen komt ter sprake in een gedicht over IJlst, waarin hij het stadswapen (een schip zonder roer) verklaart.(2)
Drylts (IJlst)
 In skip sûnder roer [het wapen van IJlst],
 In stêd sûnder stjoer.
 
 Sa leech ha se alearen âld-Drylts wolris lein,
 Mar no hat de Boazumer Dokter ús sein
[J.H. Regenbogen, ‘De fûgeljoun’, in: Swanneblommen, Jierboekje Frysk Selskip 1904]
 Hoe 't einlik wol wie mei dat skip sûnder roer,
 En dêrmei is 't smeulen en húnjen fêst oer.
 
 Doe't de Wimerts jit streamde en de kromme Himdyk
 Jit de skied wie fan 't lâtunus syn ryk [nl de Middelzee],
 Doe't jit wetter en sompe en bosk wie, wêr't no
 Yn 'e mieden it gers waakst foar skiep en foar ko,
 Doe kamen ús heidenske foarfaars hjir gear,
 As har Kening ferstoarn wie, en joegen him ear,
 En lein' him te rêst yn in skip sûnder roer
 As blyk fan betrouwen op 't Godd'lik Bestjoer
[aldus verklaart dr Regenbogen het wapen].
 
 De Dryltsers fan no binn' wol tankber foar de ear.
 Mar oan keen'gen dy't dea binne ha se neat mear.
 Hja moatte it no mear fan 'e reedriders ha -
 Fan libbene, mien 'k (ja, leafst libben foar twa).
 Is 't iis der en fleane de riders der oer:
 De redens fan Drylts jouw' har fuortgong en stjoer,
 En fleane se ús hantsjefol stêd wat te nei,
 Dan moat der in pûde fol kypmantsjes mei!

Automobiel
In 1913 beschikte J.H. Regenbogen over een automobiel: Gedeputeerde Staten van Friesland lieten namelijk weten dat, ‘naar aanleiding van een verzoek van J.H. Regenbogen, arts te Bozum, om de weg van Bozumer Indijk naar Wieuwerd met een automobiel te mogen berijden, die weg geheel voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen’ hadden opengesteld.(3) 

25-jarig jubileum
Op 20 mei 1914 vierde men in Boazum op uitbundige wijze het feit dat J.H. Regenbogen zich 25 jaar geleden als arts in Boazum vestigde. Commissies uit omliggende dorpen hadden zich bij de feestcommissie van Boazum gevoegd om een prachtig feest te organiseren. Na de toespraken kreeg Regenbogen van de feestcommissie een ‘keurige’ microscoop aangeboden. Na afloop van de plechtigheden was er vuurwerk. De 700 a 800 feestgenoten bleven tot de vroege morgen in een tot feestzaal veranderde schuur bijeen voor de voordrachten, zang en muziek.(4) In het geïllustreerde tijdschrift De Prins van de eerste week van juni 1914 was een foto van arts J.H. Regenbogen te Boazum (kennelijk ter gelegenheid van zijn jubileum).

Dokter J.H. Regenbogen ten tijde van zijn 25-jarig jubileum als arts.

Armenpraktijk
Tussen 1913-1926 was dr J.H. Regenbogen, samen met de artsen dr E.J. Hamburger, later dr J. Mantel te Weidum en dr S.F. Hoekstra te Baard, door B&W van Baarderadeel steeds voor drie jaar herbenoemd, belast met de armenpraktijk.(5)
In 1924 was dr J.H. Regenbogen verhuisd naar Leeuwarden en had hij een consultatieve praktijk. In de Leeuwarder Courant plaatste hij in dat jaar een berichtje dat hij voorlopig de praktijk van wijlen dr Pieter Veersma te Boazum waarnam.(6) Deze was, na een ziekte van twee dagen, op 31-jarige leeftijd overleden op 5 juli 1924 in Boazum.

Buitenlezing
Regenbogen was ook lid van het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde en stelde in 1925 voor om in de winter ten gerieve van niet-Leeuwarders enige ‘buitenlezingen’ te houden. Op zijn voorstel werd voor het eerst in november 1925 een lezing met lichtbeelden gehouden in Sneek.(7)

Overlijden
Regenbogen overleed in Leeuwarden op 13 november 1933, 70 jaar oud, en werd op 16 november 1933 in Boazum begraven. Een in memoriam verscheen op 13-11-1933 in de Leeuwarder Courant en een verslag van de begrafenis op 16-11-1933.

De bijna onleesbare grafsteen van dokter Johannes Henrikus Regenbogen op het kerkhof van Boazum, 2 januari 2011.

Regenbogenleen
Dr J.H. Regenbogen legateerde na zijn overlijden 1000 gulden aan de Diaconie der Hervormde Gemeente te Boazum.(8) Ter nagedachtenis aan Regenbogen is de Stichting Johannes Henricus Regenbogenleen opgericht, voortgekomen uit de nalatenschap van Trijntje Regenbogen (geb Sneek 25 november  1865, overl Leeuwarden 16 november 1937) als eerbetoon aan haar broer J.H. Regenbogen. Het doel van de Stichting Johannes Henricus Regenbogenleen is het financieel ondersteunen van onbemiddelde studenten voor arts of apotheker. Studenten die afstammen van Friese (groot) ouders krijgen voorrang voor een subsidie. Er is een jaarlijkse bijdrage beschikbaar van € 250.

Dr Pieter Veersma (geb Achlum 22 maart 1893, overl Boazum 5 juli 1924), geneeskundige in Boazum juni 1924, werd als zoon van Sytse Veersma, veehouder, en Maaike Smit geboren op 22 maart 1893 te Achlum. Dr Pieter Veersma vestigde zich, als opvolger van dr Johannes Henrikus Regenbogen, op 3 juni 1924 'ten huize van dr J.H. Regenbogen' in Boazum, maar na een maand overviel hem een zeer kort ziekbed met dodelijke afloop. Hij overleed op 31-jarige leeftijd op 5 juli 1924 in Boazum en werd op 9 juli 1924 op het kerkhof van Boazum begraven.

Grafsteen van dokter Pieter Veersma, op het kerkhof van Boazum, 2 januari 2011.

Dr Klaas Sytzes Miedema (geb Oudkerk/Aldtsjerk 2 juni 1903, overl 9 januari 1966, 62 jaar oud), arts te Boazum en omgeving
Dr Klaas Sytzes Miedema was gehuwd met Klaasje Lettenga. Dr Miedema had een grote praktijk en was een beminde figuur. Hij deed veel voor het dorpsleven en voor de oudheidkunde in Baarderadeel. Hij was goed thuis in de geschiedenis van de terpen, beijverde zich voor de restauratie van de hervormde kerk in Boazum en het poortje te Bears en ontwierp in 1962 de gemeentevlag van Baarderadeel. Hij gaf lezingen over vlaggen en heraldiek en was lid van de Kultuerried Baerderadiel. Ook zette hij zich in voor het Groene Kruiswerk. Voor het wijkgebouw dat tegenover zijn huis werd gebouwd, stelde hij indertijd gratis bouwgrond beschikbaar. Hij overleed, na enkele weken ziekte, op 9 januari 1966 in het Sint Antoniusziekenhuis te Sneek. Zijn echtgenote, mevr K. Miedema-Lettenga zat, vanaf de oprichting in het bestuur van Stichting Nij Dekema, rusthuis te Weidum. Zij overleed op 26 mei 1977, 71 jaar oud.

Noten bij Artsen in Boazum:

1. Leeuwarder Courant, 21-05-1889.
2. Teatse Eeltsje Holtrop, De wylde boerinne en oar wurk, Fryske Akademy, Leeuwarden 1979 , p. 153.
3. Leeuwarder Courant, 01-10-1913.
4. Leeuwarder Courant, 22-05-1914.
5. Leeuwarder Courant, 01-11-1916, 19-12-1919, 1922.
6. Leeuwarder Courant, 08-07-1924.
7. Leeuwarder Courant, 19-11-1925.
8. Leeuwarder Courant, 21-03-1934.

Laatste wijziging: 2011/01/03 09:13 uur


Artsen te Weidum 1864-1956

Door Jeanine Otten (3 januari 2011)

Wiebe (Wybe) Schultze (geb Leeuwarden 18 maart 1822), geneesheer te Weidum 1864, 1873
Zoon van Harmanus Schultze, eerste commies ter Provinciale Griffie, en Anna de Vries, trouwt 24 jaar oud op 11 juni 1846 met Tjerkje van Goinga, 23 jaar oud, geb Heerenveen, dochter van Sieds Pieters van Goinga en Tussina van den Bergh.

Henricus Idzerda (geb Rauwerd 15 december 1857, overl Baarn 10 juni 1926), geneeskundige  te Weidum 1883-1910
Henricus Idzerda, zoon van Hanso Henricus Schotanus à Sterringa Idzerda, geneesheer te Rauwerd, en Fraukjen van Dijk, werd geboren te Rauwerd op 15 december 1857. In 1883 vestigde dr H. Idzerda zich als arts te Weidum. Hij trouwde op 12 mei 1884 in de Gemeente Baarderadeel met de 23-jarige Wilhelmina Frederika van de Wetering (geb Amsterdam). Op 12 december 1908 werd gevierd dat H. Idzerda 25 jaar daarvoor als arts promoveerde en zich kort daarna in Weidum vestigde. Hij kreeg een smaakvol cadeau aangeboden: een prachtige pendule met coupes (LC 15-12-1908). Omstreeks juni 1910 verhuisde Henricus Idzerda naar Baarn (LC 27-06-1911, 29-11-1910), waar hij op 10 juni 1926 overleed.

Eduard Jacobus Hamburger (geb Alkmaar 1873, overl Leeuwarden 4 december 1929), arts te Weidum 1910-1917
Dr Eduard Jacobus Hamburger, zoon van Jacob David Hamburger en Rebecka Nias, werd in 1873 in Alkmaar geboren. Hij vestigde zich op 1 oktober 1910 in Weidum als arts, ten huize van dr H. Idzerda (LC 15-09-1910). Hij trouwde op 40-jarige leeftijd op 4 juni 1914 te Leeuwarden met  Sipkje Visser (geb Heeg 5 augustus 1876), weduwe van N.G. Kapteyn. In de raadsvergadering Baarderadeel van 28 juni  1917 werd aan dr E.J. Hamburger eervol ontslag verleend, vanwege zijn benoeming als gemeentearts te Gouda (LC 29-06-1917). In 1929 woonde hij te Leeuwarden waar hij, 56 jaar oud, overleed op 4 december 1929. Hij werd op 7 december 1929 in Weidum begraven (LC 06-12-1929). Zijn echtgenote Sipke Visser overleed in Leeuwarden op 14 oktober 1955 en werd naast haar man op het kerkhof van Weidum begraven.

Laatste rustplaats van Eduard Jacobus Hamburger en zijn echtgenote Sipke Hamburger-Visser op het kerkhof van Weidum.

Jan Mantel (geb Utrecht 30 mei 1889, overl Groningen 3 juli 1956), arts te Weidum 1917-juli 1956
Dr Jan Mantel was de opvolger van dr E.J. Hamburger, hij vestigde zich in 1917 in Weidum ‘ten huize van E.J. Hamburger’ (LC 25-06-1917). Zijn werkgebied was Weidum, Easterwierrum, Mantgum, Jorwert, Jellum, Hilaard. Op 30 mei 1916 trouwde hij te Groningen met Annette Helena Dievertje (Nettie) Ritsema (geb Winschoten 3 oktober 1891).
In 1931 en 1932 overleefde dokter Mantel twee auto-ongelukken. Op 17 november 1931 reed hij in dikke mist met zijn auto in de vaart onder Wirdum. Hij wist zich, samen met nog vier inzittenden, met grote moeite te bevrijden en op het droge te komen. De auto werd later in zwaar gehavende toestand met een kraan uit de vaart getrokken. In decmber 1932, uit de richting van Weidum komend, botste hij in Jellum op een uit Hilaard komende vrachtauto van de gebroeders Wiersma te Boksum. Men gaf elkaar signalen, maar kon elkaar niet zien daar het uitzicht belemmerd was. Krachtig remmen kon niet voorkomen dat men op elkaar botste. Bovendien reed Mantel dwars door het ijzeren hek van H. de Jong. Persoonlijke ongelukken deden zich gelukkig niet voor.
Mantel was een verwoed dammer en biljarter. Hij biljartte in Leeuwarden bij ‘de Friesche Club’ waar hij menige prijs won. Dr Jan Mantel overleed op 3 juli 1956 op 67-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Groningen, nadat hij bijna 40 jaar lang in Weidum en wijde omgeving zijn dokterspraktijk had uitgeoefend. In de Leeuwarder Courant stond, behalve een bericht over de begrafenis in Weidum, ook een ingezonden Fries stuk ‘Us dokter is rest….’ van een zekere W.B.H.  te Fûns ter nagedachtenis aan dokter Mantel. (LC 09-07-1956). Zijn echtgenote Nettie Ritsema werd ruim 102 jaar oud en overleed in Weidum op 24 februari 1994. Overeenkomstig haar wens vond de crematie in stilte plaats. Haar naam staat tussen die van haar man en dochter op een grafsteen op het kerkhof van Weidum.

De grafsteen van dokter Jan Mantel en zijn echtgenote op het kerkhof van Weidum.

Laatste wijziging: 2011/01/03 15:00uur




De vernietiging van een doerebouten bed in Boazum: 

onteigening van roerende goederen bij TBC in Littenseradiel

tussen 1899 en 1902

Door Jeanine Otten (3 januari 2011)

Volksziekte nummer één
Rond 1900 was het inwoneraantal van de gemeente Baarderadeel en Hennaarderadeel samen net zo hoog als in de gemeente Littenseradiel in 2010, namelijk 11.000. In die tijd was tuberculose (TBC) of tering volksziekte nummer één met een sterfte van 16,6 per duizend inwoners.[1]) Aan keel- en longtering (TBC) stierven in Friesland in 1900 in negen maanden 419 mensen op een totaal van 4808 overledenen, dat wil zeggen 8,7 procent.[2] 

Uit berichten in de Leeuwarder Courant tussen 1899 en 1902 blijkt dat in verschillende dorpen in die jaren 48 huishoudens dubbel getroffen werden: eerst door TBC en daarna door de Onteigeningswet 1851, artikel 69. De burgemeesters en wethouders van Baarderadeel en Hennaarderadeel moesten volgens dit wetsartikel bij een besmettelijke ziekte kleding en huisraad onteigenen en laten verbranden. Ter voldoening aan het wetsartikel werden de besluiten van Burgemeester en wethouders van Baarderadeel en die van Hennaarderadeel steeds in de Leeuwarder Courant geplaatst en toegezonden aan Gedeputeerde Staten van Friesland. Opmerkelijk is dat vóór 1899 en na 1902 er geen berichten over onteigening van roerende goederen bij besmettelijke ziekten in Hennaarderadeel en Baarderadeel zijn gepubliceerd. De B&W besluiten betreffen alleen TBC-gevallen. Besmettelijke ziekten als difterie, cholera en roodvonk komen in de berichten tussen 1899 en 1902 over onteigening van roerende goederen bij besmettelijke ziekten niet voor.

De dorpen met gemelde TBC-gevallen 1899-1902
De krantenberichten geven, na de vermelding van naam van de hoofdbewoner, soms een adresvermelding, maar altijd de plaatsnaam en specificatie van de besmettelijke ziekte. In onderstaande de lijst van dorpen en het aantal TBC-gevallen tussen 1899 en 1900.
• Baard: 2
• Bears: 1
• Boazum: 8
• Britswert: 2 (namelijk in hetzelfde huishouden)
• Hinnaard: 1
• Hilaard: 3
• Itens: 1
• Jorwert: 4
• Mantgum: 2
• Easterein: 1
• Easterlittens: 1
• Easterwierrum: 1
• Skillaerd: 1
• Spannum: 4
• Waaksens: 1
• Weidum: 5
• Wjelsryp: 1
• Winsum: 6
• Wommels: 3
Opmerkelijk is het relatief hoge aantal TBC-gevallen in Boazum. Een verklaring vergt nader onderzoek. 

Drie soorten TBC
Bij de beschreven gevallen werden drie soorten TBC onderscheiden: longtuberculose, keeltuberculose en tuberculose van de ingewanden. Tuberculosis Pulmonum of longtuberculose was de meest voorkomende besmettelijke ziekte. Soms werd Ftisis Pulmonum geconstateerd, een laat stadium van longtuberculose (Ftisis=tering). Daarnaast kwamen Tuberculosis pulmonum et laryngis, long- en keeltering, en Tuberculosis Intestinorum et Peritonei, tuberculose van de ingewanden,  een betrekkelijk zeldzaam voorkomende vorm van TBC, ook voor.

De te vernietigen roerende goederen
In de berichten zijn steeds nauwkeurige en uitgebreide lijsten van goederen opgenomen die voor vernietiging in aanmerking komen. Behalve de verschillende onderdelen van het beddengoed, zijn dat allerlei kledingstukken en huisraad waarmee de lijder of lijderes in aanraking is geweest. Aardig om te zien is welke spullen rond 1900 in gebruik waren en hoeveel van die goederen en de benamingen ervan tegenwoordig in onbruik zijn geraakt. Onder de te vernietigen roerende goederen komen voor:
• Beddengoed, bestaande uit met zeewier of veren gevulde matrassen, strozakken, kussens, windkussens (luchtkussens), peluw of peul, wollen, katoenen of molton dekens, lakens en slopen, bedzakken, beddenkwasten, rabatten, bedgordijnen (beddenkwasten, rabatten en bedgordijnen duiden op de aanwezigheid van een bedstede).
• Kleding zoals hemden, onderhemden, onderlijfjes, onderbroeken, broeken, hemdrokken, rokken, boezeroens (werkoverhemd van blauw gestreepte katoen of linnen), boezelaars (schorten), blouses, japonnen, nachtjakjes, jakjes, sokken, kousen, overjassen, jassen, mantels, vesten, bovenbroeken, kielen, korsetten, ondersten, boveneind, gezondheid[3], borstrokken, truien, randrokken[4].
• Accessoires als omslagdoeken, tipdoeken, slingerdoeken[5], dasjes, halsdassen, strikjes, sjaals, boa’s, zakdoeken, vingerwanten, doekjes, een salondoek, polsmoffen.
• Schoeisel als schoenen, muilen, pantoffels, 'toffels', laarsjes, laarzen.
• Hoofddeksels als petten, hoeden, strohoeden en strohoedjes, mutsen, nachtmutsen.
• Stoelkussens, rieten (leuning-)stoelen, stoelen.
• Vloerkleden.
• Een tobbe.
• Een ondersteek.
• Een ijszakje.
• Een klots[6].
Soms staan in de beschrijving in onbruik geraakte woorden, zoals in de boedel van Jeltje Reitsma te Boazum in 1900: “een doerebouten Bed[7], een doerebouten Kussen, twee drillen[8] Broeken, drie Engelschleeren Buizen, vier Simson-Broeken[9], twee Beversche Onderbroeken[10], een paar Nassau Kousen”.

Taxateurs
De roerende goederen die voor vernietiging in aanmerking kwamen, werden, voordat ze verbrand werden, getaxeerd. In de B&W besluiten worden steeds de namen van de taxateurs en hun woonplaats genoemd. De taxateurs tussen 1899 en 1902 waren:
• Hendrik van Apeldoorn (geb Amersfoort 1866), veldwachter te Winsum
• Schelte Jacobs de Boer (geb Jorwert 15 maart 1851), veldwachter te Weidum
• Hendrik Sjoerds Sandstra (geb Easterein 29 november 1839, overl Wommels 22 maart 1915), winkelier te Wommels
• Jochem Sjoerds Zwart (geb Ter Idzard 7 juni 1857, overl Bozum 7 december 1928), veldwachter te Boazum.

Geneeskundigen
In de berichten in de Leeuwarder Courant tussen 1899 en 1902 worden ook de namen en woonplaatsen van de geneeskundigen genoemd. Een dag tot enkele dagen voorafgaand de B&W besluiten legden zij schriftelijke verklaringen over de besmettelijke ziekten af. Opmerkelijk is dat in de dorpen waar de geneeskundigen rond 1900 gevestigd waren, in 2010 nog altijd een huisartsenpraktijk gevestigd is: Baard, Weidum, Wommels, Easterein, Winsum en Boazum. De geneeskundigen die tussen 1899 en 1902 in Hennaarderadeel en Baarderadeel een dokterspraktijk hadden, waren:
• Dr Pieter van Goinga, werkzaam in Baard 1862-1906
• Dr Henricus Idzerda, werkzaam in Weidum 1883-1910
• Dr Wijtze Keimpe Hoekstra, werkzaam in Wommels 1884-1917
• Dr Wouter Willem Hoekstra, werkzaam in Wommels 1899-1902
• Dr Peter de Vries Janszoon, werkzaam in Easterein 1894-1919
• Dr Sible Buwalda Sytzeszoon, werkzaam in Winsum 1889-1906[11]
• Dr Auke Pollius Ferwerda werkzaam in Boazum 1893-1905
• Dr Johannes Henricus Regenbogen, werkzaam in Boazum 1889-1924.
 
Ontdekking tuberkelbacil
In 1882 ontdekte de Duitse arts en wetenschapper Robert Koch (1843-1910) de tuberkelbacil: Mycobacterium Tuberculosis. In die tijd stierf één op de zeven mensen aan TBC.  Ook werd toen voor het eerst een verband gelegd tussen de ziekte en de levensomstandigheden. Arme mensen in overbevolkte, vochtige en smerige behuizingen in de steden stierven eerder aan TBC dan diegenen die in ruime, van frisse lucht voorziene huizen woonden. Tussen 1860 en 1870 stierven in Nederland alleen al 40.000 slachtoffers van TBC. Daarnaast vormde tuberculeus vee via een rechtstreekse overdracht en vooral door besmette zuivel een gevaar voor de volksgezondheid. Het ziektebeeld van TBC werd meestal omschreven in termen als wegteren of wegkwijnen van het lichaam, gepaard met hevige hoestbuien.

Afffiche met maatregelen ter voorkoming van besmetting met TBC, circa 1900.

Multiresistente TBC rukt op
De vooroorlogse generatie associeert TBC nog met kuuroorden op de Veluwe of in de Zwitserse bergen, draaibare tentjes, maandenlange bedrust en goede voeding. Pas na de Tweede Wereldoorlog kon TBC succesvol genezen worden dankzij de uitvinding van penicilline. Helaas komt TBC sinds de tweede helft van de jaren ’80 wereldwijd steeds vaker voor. Tweederde van de wereldbevolking blijkt besmet te zijn met Mycobacterium Tuberculosis. Jaarlijks krijgen ongeveer acht miljoen mensen de ziekte en overlijden er zo’n drie miljoen aan, 95 procent in de ontwikkelingslanden, vijf procent in de geïndustrialiseerde wereld. De toename wordt veroorzaakt door de wereldwijde AIDS-epidemie (veel mensen met AIDS overlijden tenslotte aan TBC) en een nieuwe TBC variant, de MDR TBC. Deze variant is immuun voor vele antibiotica (multiresistentie). MDR staat voor Multi Drug Resistent. In Amsterdam komt TBC tegenwoordig drie a vier keer vaker voor dan in de rest van Nederland. Risicogroepen als armen, ouderen, alcoholisten, harddrugsverslaafden, immigranten uit Derde Wereldlanden, bewoners van verzorgingstehuizen en daklozen zijn extra kwetsbaar voor TBC.[12] Hoe het ook zij, de roerende goederen van TBC-patiënten worden sinds decennia niet meer onteigend en vernietigd door verbranding zoals nog rond 1900 het geval was. Het bewuste wetsartikel verviel in 1973.[13]

Tot slot
Als illustratie de volledige tekst van een besluit van B&W van Baarderdadeel uit december 1900 waarbij alle roerende goederen ten huize van Aaltje Sijtsma in Baard worden onteigend en vernietigd (Leeuwarder Courant, 14 december 1900).

Burgemeester en Wethouders van Baarderadeel;
Gezien het advies van den Heer P. van Goinga, Geneeskundige te Baard, waaruit blijkt, dat ten huize van AALTJE SIJTSMA te Baard besmettelijke ziekte, met name Tuberculosis Pulmonum, heeft geheerscht en dat het, ter voorkomig van besmetting, noodzakelijk is dat de met den lijder in aanraking geweest zijnde GOEDEREN, bestaande in: een veeren Bed, een veeren Peluw, twee veeren Kussens, twee zeewieren Kussens, een Bedzak, een Peluwzak, zes bonte Slopen, een gewatteerde Deken, vier katoenen Lakens, stel Bedgordijnen, een Rabot, een Beddekwast, twee Stroozakken, een Windkussen, een gekleurde bronzen nieuwe Jas, een nieuwe Broek, een nieuw Vest, een bruine Jas, een bruine Broek, een bruin Vest, een zwarte Jas, een bonte Broek, een zwart Vest, een blauwe Jas, een blauwe Broek, een paar Schoenen, een paar Schoenen, een paar Schoenen, een paar Schoenen, een paar Pantoffels, een paar Pantoffels, een paar Mansmuilen, een paar Mansmuilen, drie Petten, een vilten Hoed, een strooien Hoed, een Winterpet, een wollen Hemd, drie wollen Hemden, een wollen Trui, een wollen Trui, een wollen gebreide Onderbroek, een katoenen Hemd, een katoenen Onderbroek, drie paar wollen Kousen, twee paar wollen Kousen, een paar wollen Kousen, een paar katoenen Kousen, een paar katoenen Kousen, een paar wollen Sokken ,een paar wollen Vingerwanten, twee Zakdoeken, twee Zakdoeken, twee Zakdoeken, een wit Boezeroen, een wit Boezeroen, een wollen Boezeroen, een wollen Boezeroen, een wollen boezeroen, een bont Boezeroen, vier Dassen, twee Strikjes, twee Overhemdjes, een Vloerkleed, twee kleine Vloerkleeden, een rieten Leuningstoel, een Stoelkussen worden onteigend en vernietigd;

Gezien artikel 69 der Wet van den 28 Augustus 1851 (Staatsblad no 125); Besluiten: te onteigenen de hiervoren vermelde goederen, toebehoorende aan AALTJE SIJTSMA, met bevel tot onmiddellijke inbeslagneming en vernietiging door verbranding; te benoemen tot deskundige Goederen te taxeren HENDRIK VAN APELDOORN te Winsum.

En zal, ter voldoening aan gezegd Wetsartikel, dit besluit op de gebruikelijke wijze ter openbare kennis worden gebracht en in de Leeuwarder Courant geplaatst, zoomede worden gezonden aan Heeren Gedeputeerde Staten van Friesland. Weidum, den 13 December 1900. Burgemeester en Wethouders voornoemd, KORNS. VELSTRA, Burgemeester. Van HARINXMA, Secretaris.

Noten bij Onteigening goederen bij TBC in Littenseradiel 1899-1902:
1. Zie http://www.prd-online.com/user/coursedat/c37/Marmed/TBC.php. A. de Knecht- van Eekelen, “Geschiedenis van het genezen, de behandeling van tuberculose rond 1900”, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 1996, nr 140, p. 2195-2199, geeft een sterftecijfer van 18 op 10.000 inwoners, zie: http://www.ntvg.nl/publicatie/geschiedenis-van-het-genezen-de-behandeling-van-tuberculose-nederland-rond-1900/volledig
2. Gebaseerd op de sterftecijfers in Friesland over 1900, maandelijks gepubliceerd in de Leeuwarder Courant. Over maart, mei en augustus 1900 werden geen sterftecijfers gepubliceerd
3. Gezondheid: kledingstuk dat bij veel mannendrachten rondom de voormalige Zuiderzee voorkwam, een brede band van wollen stof met zilveren of benen knopen, die het middengedeelte van het lichaam warm houdt. Boeren in Bunschoten en vissers in Spakenburg droegen omstreeks 1850 de gezondheid over de hemdrok.
4. Randrok: lange onderrok met een rand, waarvan het motief met lint was gemaakt, of een rand van geborduurde bloemen of ingeweven bloemen. Deze rok werd niet op weekdagen gedragen. Zie: G.H. Kocks, Woordenboek van de Drentse dialecten, Assen 1996,  A-L, p. 992.
5. Slingerdoek: grote omslagdoek, zie: W. Zantema, Frysk Wurdboek, Drachten / Ljouwert, 1992, (Fryske Akademy nr 631), p. 922.
6. Klots: muts, zie: W. Zantema, Frysk Wurdboek, Drachten / Ljouwert, 1992, (Fryske Akademy nr 631), p. 506.
7. Doerebout is tuorrebout, Fries voor lisdodde (rietsigaar): grote lisdodde (Typha latifolia) of kleine lisdodde (Typha angustifolia). Voor doerebout gebruikt in de betekenis van dons, zie: http://plantaardigheden.nl/aardig/aardigheden/uittien/uittien04.htm. Bed heeft hier de betekenis van matras, dus een 'doerebouten bed' is een matras gevuld met dons of veren, of misschien wel zelfs met het dons van de rietsigaar.
8. Dril: stevige linnen en katoenen gekeperd weefsel, zie: W. Zantema, Frysk Wurdboek, Drachten / Ljouwert, 1992, (Fryske Akademy nr 631), p. 197. G.H. Kocks, Woordenboek van de Drentse dialecten, Assen 1996,  A-L, p. 229.
9. Simson-broek: gemaakt van een sterke stof (?).
10. Bever: soort stof voor onderkleding, zie: W. Zantema, Frysk Wurdboek, Drachten / Ljouwert, 1992, (Fryske Akademy nr 631), p. 95.
11. Zie over geneesheren in Winsum: Hessel Fluitman, 'Chirurgijnen en dokters in Winsum', Klaaikluten 2000, nr 1, p. 10-16.
12. Zie http://www.prd-online.com/user/coursedat/c37/Marmed/TBC.php en http://radiographics.rsna.org/content/20/2/449.full.
13. Artikel 69 van de Wet van 28 augustus  1851, ook bekend als Onteigeningswet, regelde de onteigening van roerende zaken bij besmetting, is vervallen op 1 februari 1973.

Laatste wijziging: 2011/01/04 22:03uur



Burgemeester Hennaarderadeel

Ype Rodenhuis

zes en half jaar achter de tralies (1875-1882)

Door Jeanine Otten (15 november 2010)

In 1882 werd een voormalige burgemeester van Hennaarderadeel, Ype Rodenhuis YBzn, uit de gevangenis in Leeuwarden ontslagen. Hij was veroordeeld geweest vanwege valsheid in geschrifte[1] en had er zes en half jaar gevangenisstraf opzitten. In het ‘Geheim Register Ontslagen Gevangenen (1882)’ krijgen we meer bijzonderheden over hem te lezen.*

Uit Geheim Register Ontslagen Gevangenen:

N*. 11. Rodenhuis IJBzn., IJpe , oud 43 jaar, ontslagen burgemeester, gehuwd, Protestant, geboren te Harlingen, laatst wonende te Wommels, gemeente Hennaarderadeel, lang 1.67 meter, haar en wenkbr. bruin, voorhoofd smal, oogen grijs, neus gewoon, mond klein, kin rond, baard zonder, aangezigt ovaal, kleur gezond:—

Werd bij arrest van het provinciaal geregtshof in Friesland dd. 23 Dec. 1875 wegens valschheid in geschriften veroordeeld tot 7 jaar tuchthuisstraf. Hij wordt den 26 Junij e.k. uit de strafgevangenis te Leeuwarden ontslagen en zal zich ter ontvangst zijner uitgaanskas naar Heerenveen begeven. Zijn gedrag in de gevangenis was uitmuntend; hij was als magazijnknecht bij den huisdienst werkzaam en genoot 6 maanden afslag. Hij kan schrijven. Geheim Register. [Mei 1882.][2]

Bij deze beschrijving hoort een kleine foto (carte-de-visite) van Ype Rodenhuis YBzn uit 1882, gemaakt ter gelegenheid van zijn ontslag (Beeldbank Tresoar, identificatienummer JUP0011). 

Ype Rodenhuis YBzn werd op 27 september 1838 in Harlingen geboren, in een geslacht van zeehandelaren, als derde kind van zeehandelaar en cargadoor Ype Bouwes Rodenhuis en Albertina van Altena. Grootvader van vaderskant was Bouwe Rodenhuis (overl Harlingen 4 april 1834), eveneens zeehandelaar; grootmoeder van vaderskant, Ymkje Houtsma, werd bij het huwelijk van Ype en Albertina “zeehandelaarsche” genoemd. Zeehandelaren waren eigenaren van kleine of grotere bedrijven die voor derden goederen vervoerden, maar er waren ook bedrijven als houthandelaren en pannenfabrikanten die hun eigen zeeschepen hadden.

Ypes moeder Albertina was een dochter van Johannes Petrus Epajus van Altena (overl Harlingen 2 november 1849), ontvanger der directe belasting in Harlingen, en Hillegonda de Haan. Bij de aangifte van zijn geboorte werd Ype in het geboorteregister ingeschreven onder de voornaam 'Bouwe', maar drie maanden later, op 27 november 1838, werd dit gerectificeerd en veranderd in 'Ype'. Een paar weken na zijn geboorte namelijk, op 15 oktober 1838, overleed zijn vader Ype Bouweszoon Rodenhuis, slechts 26 jaar oud, in Harlingen in huis A-027 (Noorderhaven 47). Ypes moeder bleef achter met drie kleine kinderen: Hendrika (geb 14 september 1835), Hillegonda (geb 10 mei 1837) en de pasgeboren Ype. Zij is nooit hertrouwd en overleed in Harlingen op 23 april 1887, 77 jaar oud. De naamsverandering van 'Bouwe'  in 'Ype' is kennelijk gebeurd ter nagedachtenis van haar man. 



Ype Rodenhuis Yz werd in 1868  burgemeester van de gemeente Hennaarderadeel , hij woonde in Wommels. Hij was de opvolger van Cornelis Wichers Wierdsma (1823-1902), deze was in de periode 1850-1868 Grietman / burgemeester van Hennaarderadeel.

De eerste keer dat Ype Rodenhuis Yz. in de kranten voorkomt, is in de Leeuwarder Courant van 20 november 1868: hij maakte toen als burgemeester van Hennaarderadeel bekend dat wegens vernieuwing van de wipbrug in de kunstweg te Easterein de passage met rijtuigen en vee over de brug en de doorvaart aldaar vanaf 20 november tot nadere bekendmaking gestremd zullen zijn.

Op 10 mei 1869 trouwde hij, 30 jaar oud, in de gemeente AEngwirden met Martje Hemminga, oud 28 jaar, geboren 7 maart 1841 te Heerenveen, gemeente AEngwirden, dochter van Gerrit Hemminga en Henderika Petrus Steltman. Op 17 april 1870 werd in Wommels hun eerste kind, zoon Ype, geboren. Een jaar later, op 12 september 1871 werd dochter Henderika geboren.

In 1871 zat Rodenhuis in het bestuur van de Vereniging tot bevordering van het volksonderwijs in Nederland, afdeling Hennaarderadeel. De afdeling was nog niet lang daarvoor opgericht. Het voorlopig gekozen bestuur dat het reglement had ontworpen trad af, vier van de vijf leden werden herkozen, waaronder Ype Rodenhuis. De pas opgerichte afdeling bestond al uit ruim 40 leden. De vergadering werd gehouden ten huize van kastelein P. Heringa te Easterein (nu café-restaurant Noflik Bergsma, Easterein).

Op 7 januari 1874 trouwde Ypes zuster, Hillegonda, 36 jaar, in Harlingen met Albertus Cornelis van de Water (overl Zevenhuizen 6 augustus 1883), oud 47 jaar, geboren te Zaltbommel, zoon van Jan Hendrik van de Water en Maria Koek, sigarenfabrikant wonende te Amsterdam, weduwnaar van Wendelina Deenink. In hetzelfde jaar 1874 werd Ype Rodenhuis, met ingang van 23 oktober, bij koninklijk besluit herbenoemd tot burgemeester van de gemeente Hennaarderadeel. (LC 16 november 1874).

Maar nog geen acht maanden later viel het doek voor Ype Rodenhuis: bij koninklijk besluit van 2 juni 1875 werd hij (tot 1 september 1875) in zijn functie als burgemeester van de gemeente Hennaarderadeel geschorst. (Leeuwarder Courant 6 juni 1875). Hem werd valsheid in geschrifte ten laste gelegd. Kennelijk had hij onware gegevens opgegeven en/of  de verplichting om gegevens te verstrekken geschonden.

In november 1875 ging Ype Rodenhuis naar de gevangenis is Leeuwarden. Op 23 december 1875 werd hij door het provinciaal gerechtshof veroordeeld tot zeven jaar tuchthuis straf en tot het betalen van 66 geldboeten van ieder 50 gulden (Hij moest dus een totaal van 3.300 gulden aan geldboetes betalen). In 1876 werd hij schuldig verklaard aan 33 (in plaats van 189 !) valsheden in publieke akten.  Hij werd kennelijk zo zwaar gestraft omdat hij ‘openbaar ambtenaar’ (burgemeester) was toen hij zijn misdaden beging.

Zes en half jaar later, in juni 1882 werd hij, zes maanden eerder wegens goed gedrag, ontslagen uit het tuchthuis te Leeuwarden, en begaf zich volgens het Geheim Register Ontslagen Gevangenen naar Heerenveen (de geboorteplaats van zijn echtgenote Martje Hemminga) om zijn uitgaanskas in ontvangst te nemen.

Wat er daarna gebeurt met Ype Rodenhuis en zijn gezin, waar ze wonen en hoe hij de kost verdient, is bij gebrek aan gegevens (nog) onbekend. We vernemen niets meer van hem, tot in 1888 zijn zuster Hillegonda (geb 1837), weduwe van A.C van de Water, overlijdt.  Henderika Rodenhuis, Ype Rodenhuis en zijn echtgenote Martje Rodenhuis-Hemminga plaatsten een krantenbericht, gedateerd 31 mei 1888, waarin ze hun dank betuigden voor de vele bewijzen van deelneming (advertentie Leeuwarder Courant, 1 juni 1888).

Ook de overlijdensdatum van Ype Rodenhuis YBzn is nog niet achterhaald. Ype Rodenhuis overleed vóór 1921, want  zijn echtgenote Martje Gerrits Hemminga overleed te Schoterland op 14 juni 1921, als weduwe van Ype Rodenhuis.

Bronnen:

Leeuwarder Courant 26 november 1875: De gewezen burgemeester van Hennaarderadeel IJ.R., beschuldigd van valschheid in authentieke geschriften, is deze dagen te dier zake naar den procureur-generaal bij het proviniciaal geregtshof in Friesland verwezen en daarop naar het het huis van burgerlijke en militaire verzekering alhier overgebragt. Naar wij vernemen, heeft hij tot zijnen verdediger gekozen den heer mr. A. Bloembergen Ez.

Leeuwarder Courant 10 april 1876: Latere depêche. de hoogeraad heeft den voormaligen burgemeester van de gemeente Hennaarderadeel schuldig verklaard aan 33 in plaats van 189 valscheden, gepleegd in publieke acten. De zevenjarige tuchthuisstraf is gehandhaafd, met veroordeeling tot het betalen van 66 geldboeten ieder van 50 gulden.

*Met dank aan Stefan Elsinga (Harlingen) voor het attenderen op deze vergeten burgemeester van Hennaarderadeel.

Laatste wijziging: 2010/12/21 20:53u

Noten:

[1] Wetboek van Strafrecht, artikel 225 t/m 235.

[2] Bron: http://images.tresoar.nl/archief-collectie/18_01/18_01_1_1882.pdf





Prinses Wilhelmina’s  eerste schaatsjes

kwamen uit Easterlittens (1882)

door Jeanine Otten (7 november 2010)

Op de Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag zijn Prinses Wilhelmina’s eerste (Friese) schaatsjes uit 1888 te zien. Op de houten voetplaat is een  metalen schildje aangebracht met daarop een “W” en daaronder het jaartal 1888. Het is gebleken dat deze schaatsjes uit 1888 niet de eerste zijn, want Wilhelmina kreeg zes jaar eerder, toen zij ruim twee jaar was, een paar keurig bewerkte echte Friese schaatsjes uit Easterlittens aangeboden. Zij waren eind 1882 vervaardigd door Durk Gerrits Minkema (geb 1825-overleden Easterlittens 1887), grofsmid, fabrikant van landbouwwerktuigen en schaatsen te Easterlittens. Hij ontving daarvoor de bijzondere dank van Hunne Majesteiten koning Willem III en Koningin Emma, zo berichtte de Leeuwarder Courant op 2 januari 1883. Durk Gerrits Minkema uit Easterlittens komt daarom de eer toe van de eerste schaatsjes van Wilhelmina gemaakt te hebben.

Koninginneschaatsen

Andere schaatsen waarop Prinses Wilhelmina (31 augustus 1880-1962) in haar jeugd heeft geschaatst, worden ‘Koninginneschaatsen’ genoemd. Deze schaatsen waren doorontwikkelde Friese doorlopers met halfhoge punten en ver naar achteren doorlopend schaatsijzers. De schaatsen waren voorzien van 'verkoperde' voetplaten en haksteunen en van een luxe binding met drie riempjes. Aan deze verbetering zijn de namen van de latere directeur van De Nederlandsche Bank, mr. G. Vissering en de Akkrumse schaatsensmid G.S. Ruiter verbonden. Zij ontwierpen het model rond 1890. Het idee erachter was de ultieme  schaats voor wedstrijdrijders te maken. Maar de doelgroep vond de schaatsen te zwaar en daardoor werden ze voornamelijk verkocht als luxe toerschaatsen. Nadat het hof van Koningin Emma een paar voor Prinses Wilhelmina had besteld en deze later nog eens een nieuw paar liet komen, werd dit model al gauw aangeduid als 'koninginneschaatsen' dan wel als 'Wilhelminaschaatsen'. Het is een succesvol model geweest dat door verscheidene smeden werd geïmiteerd en opgenomen in hun leveringsprogramma.


Krantenbericht

Leeuwarder Courant, 2 januari 1883: “BAARDERADEEL – 29 december [1882]. De heer D.G. Minkema, fabrikant van landbouwwerktuigen en schaatsen te Oosterlittens, in deze gemeente, heeft den bijzondere dank ontvangen van HH. MM. den Koning en de Koningin voor het onlangs door hem aan HH. MM. Aangeboden geschenk, een paar keurig bewerkte echt Friesche schaatsjes, bestemd voor de jonge Prinses, om daarop het schaatsrijden te kunnen leren.”


Bekroonde schaatsen

De firma D.G. Minkema werkte als schaatsenfabrikant samen met timmerman Abraham K. Hoekstra uit Wergea. Hoekstra zette in Wergea de houten op de ijzers, die Minkema in Easterlittens smeedde. Op een internationale sporttentoonstelling in Keulen in 1889 werden hun schaatsen met een gouden medaille bekroond. De medailles werd afgebeeld op de etiketten die Minkema op de door hem gemaakte schaatsen plakte.

Behalve schaatsen maakte firma D.G. Minkema ook landbouwwerktuigen, zoals de op provinciale tentoonstellingen en internationale tentoonstellingen te Amsterdam in 1883 en 1884 bekroonde hooiboren, ter voorkoming van hooibroei.


Firma D.G. Minkema

Durk Gerrits Minkema (1825-1887) vestigde zich in 1852 vanuit Heerenveen in de smederij van Heere Westra te Easterlittens. Net als zijn voorganger maakte hij daar ook schaatsijzers voor Keimpe en later Abraham Hoekstra te Wergea. Ook bracht hij schaatsen onder eigen merk op de markt. Minkema was een bekwaam smid die met schaatsen en ander smeedwerk veel prijzen behaald op nijverheidstentoonstellingen. Rond 1884 namen zijn zoons Durk (1859-1927) en Hans de zaak over. Durk richtte zich op de schaatsen en Hans op het andere smeedwerk. Ze bleven gebruik maken van het merk van hun vader. In 1898 begon Hans Minkema een smederij in Sneek. In 1904 werd een nieuwe fabriek in Easterlittens ingericht. Er werkten twaalf tot veertien man personeel en er werd gebruik gemaakt van machines. In mei 1920 sloot het bedrijf.


Stamboom Minkema (Easterlittens)

Elisabeth Hanses Oosterhof trouwt 1. Dirk Feddes Minkema, grofsmid te Easterlittens, geb. c. 1826; trouwt 2. Durk Gerrits Minkema (geb. c. 1825, overl Easterlittens 24 oktober 1887, 62 jaar), grofsmid te Easterlittens.

Kind uit 1e huwelijk:

  1. Gerrit Dirks Minkema, geb. Easterlittens 12 augustus 1854.

Kinderen uit 2e huwelijk:

  1. Sjoukje Durks Minkema, geb Easterlittens 21 november 1855, trouwt 11 mei 1882 met Dirk Douwes Wiersma, afk Berlikum, timmerknecht.
  2. Aaltje Durks Minkema, geb Easterlittens 23mei 1857, overl 4 september 1868, 11 jaar oud.
  3. Durk Durks (DIRK DIRKS) Minkema, geb Easterlittens 19 december 1859, trouwt als smidsknecht, 29 jaar oud op 18 mei 1889 met Trijntje Gjalts van der Hem, afk. Jelsum, 24 jaar oud.
  4.  Hans Durks (DIRKS) Minkema, geb Easterlittens 25 december 1861, trouwt als grofsmid, op 12 oktober 1892 met Elisabeth Sjipkes van Kammen.
  5. Hendrik Durks (DIRKS) Minkema, geb Easterlittens 3 mei 1866, overleden Jorwerd 7 juli 1926, 60 jaar, man van Aaltje Iedema.


Bronnen: Leeuwarder Courant www.archiefleeuwardercourant.nl.

Literatuur: W. Blauw (e.a.), Friese schaatsenmakers , Franeker, 1994, pp. 104-107.

Genealogie Minkema, gegevens via www.allefriezen.nl

Voor Wilhelmina’s “eerste” schaatsjes uit 1888, zie: http://beeldbank.nationaalarchief.nl

Voor  Koninginneschaatsen, zie: http://www.schaatsenmuseum.nl/byz-kon.sch.htm.


Geneesheren en heelmeesters

in Easterein 1824-1919

door Jeanine Otten (8 november 2010)

In 1845 lag het inwonertal van Easterein (samen met Reahûs) rond de 500, aantrekkelijk genoeg om zich er als geneesheer te vestigen. Patienten in de omliggende dorpen konden ook tot het werkterrein gerekend worden. Er is niet veel bekend over medici in Easterein voor 1850. Advertenties uit de Leeuwarder Courant kunnen een aanzet zijn tot verder onderzoek. Van een aantal geneesheren die tussen 1824 en 1919 in Easterein woonden en werkten, zijn enkele gegevens bij elkaar gebracht.

Hiddo Wibius van der Ploeg Born, 1824-1834

Op 5 september 1832 bezweek in Easterein op 31-jarige leeftijd Grietje Wytzes Hoekstra (geboren Dronrijp  4 augustus 1801) "aan een geweldige zogkoorts", een week nadat ze op 29 augustus 1832 was bevallen van een zoon.  Zij was 6 ½ jaar getrouwd geweest met Hiddo Wibius van der Ploeg Born, chirurgijn en vroedmeester te Easterein en liet, behalve haar bedroefde man, vier zoontjes na, die te jong waren om hun verlies te kunnen beseffen. Hiddo Wibius van der Ploeg Born (geboren Leeuwarden 27 oktober 1800) vestigde zich in 1824 in Easterein als geneesheer, heel- en vroedmeester. Op Tsjerkebuorren 23 oefende hij zijn dokterspraktijk uit.[1] Op 9 maart 1826 trouwde hij in Wommels in het Gemeentehuis Hennaarderadeel met Grietje Wytzes Hoekstra. Zijn dubbele achternaam had Hiddo Wibius van der Ploeg Born van zijn vader Godert Hoites Born (overl Leeuwarden 1811) en zijn moeder Grietje van der Ploeg. Een voorouder van moeders zijde was Hiddo Wibius van der Ploeg, doopsgezind predikant in Krefeld.[2]

Zeventien maanden na de dood van Grietje trouwde Hiddo Wibius van der Ploeg Born, 33 jaar oud, in Wommels op 18 februari 1834 met Hyke Joukes Schilstra, oud 29 jaar, weduwe van Jan Jans Bogstra. De zate en landen onder Jorwert van wijlen Jan Jans Bogstra, met huis, schuur, moestuin en tuin en 35 bunder weiland werden 19 september 1834 te huur aangeboden. In 1834 was Hiddo Wibius van der Ploeg Bron nog geneesheer, heel- en vroedmeester te Easterein, maar een jaar later, in 1835, was hij chirurgijn en vroedmeester in Akkrum. Op 23 april 1835 was op de zate van zijn echtgenote, onder Jorwert, een publieke buitengewoon grote verkoping van boerengereedschap, wagens en vee, meubels en huisraad. Hyke Joukes Schilstra overleed te Huizum op 2 augustus 1873. Gegevens over het verdere verloop van de carriere en het overlijden van Hiddo Wibius van der Ploeg Born zijn (nog) niet bekend.

Easterein, in de achttiende eeuw

Boudewijn Ens (1817-1846), geneesheer en heelmeester te Easterein, -1846

Na een ziekte van zes dagen overleed op 7 april 1846 te Easterein in huis nummer 38 Boudewijn Ens, operateur, geneesheer en heelmeester te Oosterend, bijna 29 jaar oud. Hoe lang hij geneesheer en heelmeester in Easterein was geweest, is (nu) nog niet bekend. Boudewijn Ens werd geboren te Franeker op 18 augustus 1817, als zoon van Sicco Ens (Ureterp 14 maart 1779, overl Franeker 12 mei 1842), arts, operateur en hoogleraar verlos- en geneeskunde te Franeker, en Minke Rost.[3]

De goederen die Boudewijn Ens naliet, waren niet veel: wat meubels, huisraad en een kast waarin de apotheek met de medicamenten, boeken en instrumenten. Deze werden twee maanden na zijn dood in het openbaar te koop aangeboden, zo blijkt uit een advertentie van 5 juni 1846 in de Leeuwarder Courant:

Notaris H. Heppener te Wommels biedt op maandag 8 juni 1846 ’s middags om een uur, in het sterfhuis van Boudewijn Ens , in het openbaar, naar plaatselijk gebruik, te koop aan:

1. Meubelen en huisraad, waaronder 1 eikenhouten secretaire, grote spiegel, klokje, speeltafeltje, 2 bedden met toebehoren, tafels, stoelen, koper-, tin-, ijzer-, glas- en aardewerk, voorts kleding en lijfdracht, linnen en enige zilverwerken.

2. Een kast, inhoudende de apotheek, met de daarin aanwezige medicamenten, benevens genees- en heelkundige boeken en instrumenten, alles behorende tot de, onder het voorrecht van boedelbeschrijving van de nalatenschap van wijlen den heer Boudewijn Ens, in leven genees- en heelmeester te Oosterend.

Drie jaar later, op 4 mei 1849, werd nog eens een oproep in de Leeuwarder Courant gezet voor de bekende en onbekende schuldeisers, om op 15 mei 1849 bijeen te komen in Wommels, ten huize van W. de Roos, in het Logement ‘Het Wapen van Hennaarderadeel’ vanwege de nalatenschap van Boudewijn Ens.

Lolle de Vries Pzn (geb 1832-overl Bolsward 1894), geneeskundige te Easterein 1851-1893
Dr Lolle de Vries, getrouwd met Marijke Wijbes (1832-1917), had zijn dokterspraktijk in Easterein van 1851 tot 1894. In het Bevolkingsregister wordt hij vermeld als ‘Genees- heel- en vroedmeester’. De Vries woonde een paar jaar aan de Wynserdyk nr 6 en 8, verhuisde in 1863 naar het huis De Streek nr 20, en in 1871 naar het nieuwe doktershuis aan de Wommelserdyk, nu Van Eysingaleane nr 11. Dokter Lolle de Vries was een van de oprichters van de Bewaar-, naai en breischool in Easterein in 1875. In 1860 werden twee kindjes (waarschijnlijk een tweeling) van dr L. de Vries begraven op het kerkhof van de Hervormde Kerk in Easterein. In 1893 verhuisde dokter L. de Vries naar Bolsward. Hij overleed in daar 1894 en werd begraven op het kerkhof in Easterein in het graf van zijn twee kinderen.[4] Hun grafsteen werd begin 2011 daar niet meer aangetroffen.
 
Petrus de Vries Janszn (geb Lemmer 2 november 1865, overl Arnhem 24 mei 1954), geneeskundige te Easterein 1894-1919
Dr Petrus de Vries was getrouwd met Jansje Mossel (geb 1866) van Hijkersmilde. In 1889 was hij arts te Groningen, maar in 1894 nam hij de praktijk van zijn vader dr Lolle de Vries Pzn in Easterein over. Hij was praktiseerde als dokter in Easterein en omgeving tot 1919. Dokter Petrus de Vries bezocht zijn patiënten in de omgeving met een zogenaamde Utrecht-wagentje, bestuurd door voerman Taede Wytsma (1883-1963). De achterkant van het wagentje liep schuin omhoog en was gelig van kleur. Het koetshuis (Van Eysingaleane 11, Easterein) is er nog en wordt nu gebruikt als garage. Petrus de Vries was in 1911 secretaris van Vereniging het Groene Kruis, afd Friesland. In 1919 verhuisde dokter Petrus de Vries naar Bolsward.[5]

Laatste wijziging: 2011/04/03 21:29uur

 -----------------

[1] M.L. de Boer, K. Kooistra, F.K. Reitsma, Easterein, Easterein 1995, p. 79 (kadastrale gegevens 1832).

[2] Deze publiceerde in 1794 een preek 'Een Woord op zyn tyd' en in 1796 een gebedenboek voor de bewoners van het Doopsgezinde Gasthuis in Krefeld, zie: Michael D. Driedger, "'Een Woord op zyn tyd': Ein Predigt von Hiddo Wibius van der Ploeg aus dem Jahr 1794," in: Mennonitische Geschichtsblätter 64 (2007), pp. 119-130. Peter Kriedte, Taufgesinnte und grosses Kapital: die niederreinisch-bergischen Mennoniten und der Aufstieg des Krefelder Seidengewerbes, Göttingen 2007, p. 141, noot 141.

[3] Zijn vader, Sicco Ens, was arts te Leeuwarden geweest en in Franeker professor verlos- en geneeskunde 1809-1811, 1815-1842. Hij doceerde obstetrie, osteologie, physiologie, chirurgie, praxis medica en medicina legalis. In 1833 was Sicco Ens lid der Provinciale Commissie van Geneeskundig Onderzoek en Toevoorzicht, en deed een rondreis in de steden en grietenijen, om de stedelijke- en grietenijbesturen en de geneeskundigen ten plattelande voor te lichten over de geneeskundige behandeling van choleraziekten. Sicco Ens was gehuwd met Minke Rost. Kinderen uit dit huwelijk:

1. Reiner Ens, geboren Franeker 1 november 1812.
2. Hendricus Ens, geboren Franeker 17 december 1814.
3. Boudewijn Ens, geboren Franeker 18 augustus 1817.
4. Geertuida, geboren Franeker 24 maart 1819.

[4] M.L. de Boer e.a., Easterein, Easterein 1995, p. 242.

[5] M.L. de Boer e.a., Easterein, Easterein 1995, p. 242.