De kleine leugen van het Friese landschap [1]

Jan Folkerts


Eerder gepubliceerd in De Moanne, oktober 2010


 Het bos van Wommels bestaat niet meer. 

Het was er tot de winter van 1872, toen notaris De Jong op Sminiastate in dat dorp ‘eene zeer aanzienlijke partij’ kapitale eiken, iepen, essen, linden, kastanjes, esdoorns, dennen, beuken, wilgen, abelen en vruchtbomen te koop aanbood, als mede week- en kaphout, ‘alles om te rooijen’.

Het bos van Sminiastate bij Wommels, 1878

Fragment van een plattegrond uit het gemeentearchief Littenseradiel: het bos van Sminiastate bij Wommels, 1878.

Wat er van rest is de straatnaam It Bosk, ongeveer op de plaats waar eertijds de lanen van de buitenplaats Sminiastate zich uitstrekten[2].  Het bos werd gerooid omdat Sminiastate zelf werd afgebroken.  Het had als zoveel buitenplaatsen en states in de negentiende eeuw zijn functie verloren.  Daarmee was ook het bos zelf als ‘bos tot vermaak’ zoals het nog op de kadastrale minuutplan van 1832 heet, overbodig geworden. Zoals adel en patriciaat de oude buitenplaatsen en zelfs de provincie in de negentiende eeuw in groten getale verlieten, zo paste ook het landschap zich aan aan de nieuwe heersers van het platteland, de moderne vee- en bouwboeren, die geen behoefte hadden aan bossen om in te wandelen, maar  des te meer aan bouw- en weiland.


Afvoer van bomen bij Dekamastate, Weidum

Afvoer van bomen uit het bos van Dekemastate, Weidum

Het bos van Wommels was geen uitzondering. 

De kaarten van 1832 laten ook op andere plaatsen in de Greidhoeke nog wandel- en plezierbossen bij de buitenplaatsen zien zoals bij het kapitale Wibrandastate onder Hichtum, op Doniastate in Burgwerd en in Weidum bij Dekemastate.  Advertenties in de Leeuwarder Courant maken in de negentiende eeuw ook gewag van de verkoop van aanzienlijke hoeveelheden bomen van buitenplaatsen onder Witmarsum (Aylvastate),  Zweins (Kingmastate) en Finkum.  Doeke Wijgers Hellema van Barrahûs is in 1843 verbijsterd als hij de boeldag op Oenemastate onder Wirdum meemaakt en de teloorgang van plantsoen, vruchtbomen en kronkelende paden aanschouwt. Eerst duizenden guldens verspild en later verwaarloosd, zo treurt hij om deze verwoesting[3].

Wat er in de negentiende eeuw nog over was aan buitenplaatsen, staten en stinzen was echter het topje van een ijsberg. Het proces van neergang van deze karakteristieke elementen in het Friese landschap was rond 1832 al heel lang aan de gang.  Op de laat zeventiende-eeuwse kaarten zien we welke staten toen in ons gebied nog in wezen waren: voor zover ze honderd jaar later nog bewoond werden door adel en patriciaat mogen we er wel vanuit gaan dat naar de smaak van de tijd, landhuis of state omgeven was door hoog opgaand geboomte en liefst door een ‘wandelbos’, een ‘plezierbos’ of met hoge bomen omzoomde fraaie lanen en paden.  Een voorbeeld daarvan was Thetinga- of Waltastate onder Wiuwert, de vermaarde verblijfplaats van de sekte  der Labadisten.  Het gezicht op deze state werd zo gedomineerd door hoge bomen dat dit landgoed ook wel het Labadistenbos of het Wieuwerderbos werd genoemd.  De state en het bos werden kort na 1733 met de grond gelijk gemaakt.  Ook hier namen de boeren het over, van een buitenplaats is (behalve in de grond) geen spoor meer te ontdekken.  Het open landschap aan deze kant van Wiuwert lijkt er altijd zo te zijn geweest. Ook bij Sassingastate onder Hinnaard heeft tot aan het einde van de achttiende eeuw een bos gelegen[4].

Op het vermeende boomloze karakter van de Greidhoeke is dus heel veel af te dingen. Het landschap is allerminst tijdloos, zoals sommigen ons willen doen geloven[5], maar juist het product van de door de eeuwen heen veranderende functies en eigendomsverhoudingen.  Als zodanig is de boomloze Greidhoeke een mythe, een invented tradition uit de late negentiende eeuw, toen inderdaad een voorlopig einde was gekomen aan een zeer langdurig proces van steeds verder gaande rationalisering van landbouw en landschap  en de Friezen behalve hun geschiedenis, taal en cultuur, ook hun landschap ‘codificeerden’.  Het andere, diep ingrijpende proces van verwoesting van het bestaande cultuurlandschap was natuurlijk dat van de massale afgraving van de terpen.  Die ontwikkeling behoeft hier verder geen toelichting.  In de beeldvorming van het landschap is er echter een opvallende overeenkomst met het verdwijnen van de bossen bij de buitenplaatsen en ander geboomte.  Ook hierin werd het landschap van zijn nog overgebleven verticale elementen ontdaan.  De combinatie van beide ingrepen zorgde in de periode 1700-1900 uiteindelijk voor het platte vlak dat we nu zo kenmerkend achten voor de Greidhoeke.

Goffe Jensma toont in zijn meesterlijke studie Het rode tasje van Salverda. Burgerlijk bewustzijn en Friese identiteit in de negentiende eeuw aan hoe veel van wat Fries was, pas in de negentiende eeuw definitief als zodanig werd vastgelegd. Hij beschrijft hoe binnen het vernauwde provinciale perspectief van de nieuwe cultuurdragende elite van het Frysk Selskip in de negentiende eeuw de verschillen binnen Friesland benadrukt werden: ‘zoals Beucker Andreae Friesland vanuit nationaal perspectief tot eetbare statistische eenheidsworst maakte, zo deelden de Selskipskleden Friesland nu vanuit hun provinciale perspectief in naar streekculturen. Die twee ontwikkelingen staan niet tegenover elkaar, maar versterken elkaar. (…) De diversiteit aan tongvallen en volkskarakters binnen Friesland werd nu gecodificeerd. Er kwam ruimte voor de traagsprekende, trotse kleibewoner maar ook voor het extraverte geratel van de kwieke woudman.’[6]

Deze vorm van codificatie strekte zich volgens mij ook uit over de fysieke omgeving. En zo werd in deze ideaaltypische constructie het ‘smûkskaadzjend beamtegrien’ van de Wouden gezet tegenover de kale klei van het westelijk deel der provincie, een landschappelijke dichotomie met vermeende eeuwigheidswaarde. 

Er werd een beeld geschapen dat als momentopname misschien correct was, maar in wezen ook a-historisch was, een ontkenning van de geografische en economische dynamiek.  Het beeld van het landschap versteende, en in een volgende stap werd dit beeld normatief.  De vermeende eeuwige kale klei moet liefst voor altijd zo blijven.  Dit verklaart de enigszins overspannen reacties op het Elfstedenbos langs de Zwette, een plan van de Leeuwarder collegepartijen PvdA en VVD begin 2010. Natuurlijk hadden de tegenstanders gelijk als ze beweerden dat in het open Middelzeegebied langs de Zwette, ontstaan door de laatmiddeleeuwse inpoldering van deze zeearm, nooit een bos (en trouwens ook zeer weinig bewoning) was geweest. Het argument werd echter door sommigen opgerekt tot het Friese weidegebied sui generis, en daar steekt de a-historische benadering weer de kop op.  Het was immers pas enkele generaties geleden dat door een zware storm op 2 maart 1898 de laatste restanten van het bos van Dekamastate onder Weidum tegen de vlakte gingen[7].  Weliswaar aan de rand van het Middelzeegebied gelegen, maar toch onmiskenbaar aan de Zwettekant van de Hegedyk, die het oude en nieuwe land van elkaar scheidde.

Het verwoeste bos van Dekemastate bij Weidum na de storm van 2 maart 1898

Ook hier heeft men gemeend geen nieuwe bomen te moeten planten op de oude park- en bosgrond.  Het open landschap tussen dorp en Zwette ligt er bij alsof het nooit anders is geweest.  Het ‘nieuwe’ terpdorp Weidum doet het zonder terp, want waar ooit de terp lag, ligt nu het kaatsveld, zonder staten en stinzen en zonder bos en park.  De sporen van voor 1800 zijn hier op veel plaatsen grondig uitgewist.

Is dit de reden, vraag ik mij af, dat veel dorpen in de Greidhoeke, met uitzondering van de kerk, zo’n onmiskenbaar negentiende-eeuwse indruk maken?  De fraaie kaaszolders boven de huizen in Easterein of de beschermde dorpsgezichten van Rien, Mantgum en Jorwert uit die periode roepen echter ook de vraag op hoe het er voor die tijd was. Heel veel van wat er eerder was is juist in die dynamische negentiende eeuw verdwenen.  Het gaf ruimte voor nieuwe dorpsuitleg in de opgaande economie van voor de landbouwcrisis.  Het bedrieglijke historische beeld van dit deel van Friesland, is toch vooral het beeld van de ‘gestolde’ late negentiende eeuw.

Deze ‘kleine leugen’ van het Friese landschap speelt vaak een rol als verdediging van het open karakter van het greideland.  Het is echter een verdediging met verkeerde argumenten. Het echte respect voor een cultuurlandschap kan alleen gestoeld zijn op het begrijpen van de historische dynamiek van de fysieke omgeving.  Wie die dynamiek niet ziet, onderschat het aanpassingsvermogen van Friezen uit vroeger eeuwen, onderschat ook het wezen van een cultuurlandschap als een product van menselijk streven.


[1] Dit artikel werd buiten de in de overige noten gebruikte bronnen en literatuur onder meer gebaseerd op de historisch-geografische informatie van HISGIS van de Fryske Akademy (www.hisgis.nl); D.J. van der Meer, Boerderijenbloek Hennaarderadeel 1511-1698, Leeuwarden 2004; R. Elward, P. Karstkarel, Stinsen en states. Adellijk wonen in Friesland, Drachten/Leeuwarden, 1990, en de website www.stinseninfriesland.nl

[2] In Mantgum is er een straatnaam ’t Bosk, in Winsum een Boskpleats en op de Schotanuskaart van Wjelsryp lijkt aan de oostkant van het dorp ook een bos te zien. In elk van deze gevallen is echter meer onderzoek nodig om deze gegevens te verifiëren en te kunnen interpreteren.

[3] Kroniek van een Friese boer. De aantekeningen (1821-1856) van Doeke Wijgers Hellema te Wirdum, bewerkt door H. Algra. (Franeker, 1978), 304-306.

[4] M.L. de Boer, Minskestriid, minskelibben. Ut de histoarje fan Hinnaerderadiel (Boalsert, 1970), 140.

[5] Zo pleiten de initiatiefnemers van Station Fryslân 2018 er voor om water, natuur, cultuur en landschap te beschouwen als tijdloze kwaliteiten van Fryslân (cursivering van mij, jf).

[6] Goffe Jensma, Het rode tasje van Salverda. Burgerlijk bewustzijn en Friese identiteit in de negentiende eeuw (Leeuwarden, 1998), 165.

[7] Vier weken later, op 28 maart 1898, werden ‘aan de gracht van Dekema’ een partij eiken, iepen, linden, essen, esdoorns en een kastanje, en ook takkenbossen en ‘kop- en brandhout’ te koop aangeboden, tegen directe betaling. LC, 25 maart 1898.